Kerstborrel

Voor de kerstborrel dit jaar trek ik een oud-Holands woord uit de mottenballen: deerniswekkend. Het valt mee dat we als uitzendkrachten uberhaupt zijn uitgenodigd. Of juist tegen. Het gebeuren vind plaats in de kantine, die bijna even hip aandoet als een verhoorkamer van de KGB destijds. Een eetkerker dus. Op de achtergrond kraken stemmige kerstdeuntjes ons tegemoet. Misschien gebruikten de Amerikanen deze muziek in Irak, wie zal het zeggen. Zelfs als mijn begrafenis op kerst valt hoef ik het niet te horen. Dit wens je je ergste nabestaande niet toe. Het interieur vrolijkt ons verder op met oranje linoleum dat vermoedelijk uit de jaren ’70 stamt. Kerstversiering is karig aangebracht, in de hoek staat een kerstboom verdekt opgesteld. Vlak ernaast bevindt zich op een verhoging de oudemannentafel. Elke lunch zitten daar oude, deftige heren met grijs haar die vreemd opkijken als een ‘junior’ de euvele moed heeft zijn middageten daar te verorberen. De bezetting van de tafel is zodoende hetzelfde sinds 1963. Met zijn zessen betrekken we een tafel uit het zicht, te herkennen aan de verveelde blikken.

We zijn pas vijf minuten onderweg of ik voel me alsof ik rondloop in een documentaire van Michiel van Erp. Deze documentairemaker is er geslepen in om mensen uitspraken te ontlokken die ze eigenlijk niet prijs hadden willen geven. Mensen die het (on)bewust niet naar hun zin hebben weet hij hun onbehagen te laten lekken. Net alsof er geen camera bijstaat. Uit fatsoen gaan ze dan geforceerd gezellig doen. Heel vermakelijk, aandoenlijk en latent pijnlijk om te zien. Het is een bevrijdend idee om te bedenken dat geen camera mijn verveling registreert, als onderdeel van een groepje uitzendperiferie die deze borrel gestolen kan worden. We treffen het niet: er wordt afscheid genomen van een gewaardeerde, geliefd collega die ‘we’ alle succes van de wereld gunnen en die heel erg gemist gaat worden. Ik weet niet meer hoe ze heet, heel raar. Tien minuten voelen als een uur. Mensen grijpen naar de drank, hun onderbewuste heeft duidelijk gemaakt dat dit niet gemaakt is om nuchter aan te zien.

De spreker is inhoudelijk niet relevant voor nieuwkomers, en wie er wel zit te wachten op een chronologische opsomming van administratieve projecten ontgaat me. Laat staan als de toespraak is doorspekt met jargon waar de meest verkokerde soepkip zich voor zou schamen. Geen persoonlijke noot gekraakt. Jammer, ik was me net af gaan vragen wie deze persoon was en hoe ze in het leven stond – niet wat haar werk was. Op zich vind ik het feit dat ik me dat ben gaan afvragen al vreemd, naar mijn bange vermoeden is er namelijk een zeer belevenisarm persoon aan het woord. Hoe dan ook: speechen is een vak en geen gelegenheidsoptie. Aan het eind wordt er zowaar even gelachen. Bibliothecaressenjolijt van mensen die schaterend over de bank rollen om uitgekauwde slapstickgrappen die ze de volgende dag aan hun collega’s navertellen. Niks beters te doen, behalve op de klok aftellen hoe lang je nog moet aankloten. Dat klinkt deprimerend, en soms lijken werk en een officieus verplichte kerstborrel dan ook angstwekkend veel op elkaar. Ongeveer driekwart van de Nederlanders heeft niets met een kerstborrel, en zou het niet erg vinden als het wegbezuinigd zou worden in crisistijd. Zelfs massaontslagen zijn niet te gek voor woorden, maar zo’n leuteruurtje van personeel dat veel liever thuis had willen zijn niet schrappen. Dat is met recht deerniswekkend.

20 December 2009
By on 20:48
Joran Bernal

Waarschuwing: gelijkenissen tussen treurige personages die voorkomen in deze blog en stumpers die je kent van je eigen werkvloer berusten NIET op toeval. Dat is namelijk een prototype mensen, die ene in dit verhaal is een individu, namelijk mijn ex-collega Joran Bernal.

Klik-klak klik-klak. Hakschoenen. Onwillekeurig draaien een aantal mannelijke  (toenmalige) collega’s hun hoofd. Vrouwen zijn elegante schepsels, nietwaar? Groter zal hun teleurstelling zelden geweest zijn. Het was de supervisor, gezegend met een talent om zich onmogelijk te maken bij zijn ondergeschikten. Technisch gesproken was het een man, al vind ik hem die omschrijving niet waard.

Joran Bernal werd hij genoemd. Dat was natuurlijk niet zijn echte naam, maar een beschimping die onze afdeling hem had gegeven. Joran naar Joran van der Sloot omdat zijn stemgeluid exact hetzelfde klonk, al vond ik zijn Arubaans-Nederlandse ‘naamgenoot’ eigenlijk sympathieker.

Zijn ‘achternaam’ Bernal sloeg op Jody Bernal, het meest agressie-opwekkende Colombiaans exportproduct sinds cocaine. Joran Bernal was the worst of both worlds.

Het is absoluut een kunst om in een week tijd een groep van dik veertig man tegen je te krijgen, maar onze Jody kon het! De boeken worden herschreven: vergeet 1001 Nacht, de nieuwe bestseller heet Joran Bernal en de 40 haters. Ik vond het intrigerend dat mensen in korte tijd zoveel aversie op konden roepen en besloot hem gedurende mijn periode bij de betreffende werkgever te observeren, dit naar aanleiding van een onderling akkefietje. Ik was namelijk niet de enige die botste met hem, of liever gezegd: met zijn ego.

Meneertje kwam langs de tafels om de pietluttigste huisregel aller tijden op te leggen: de clean-desk policy. Taalvernuft was al niet zijn sterkste wapen. Dat bleek wel uit zijn verhaal, dat begon hij namelijk met ‘Ja, ik wil niet zeiken…’ Om dat vervolgens toch te doen. Weet je dan wel wat je zegt?      

Het toppunt was zijn houding. We stammen als mensheid af van de apen, maar sommigen zijn dat nooit ontgroeid. Joran Bernal liep vooruit met zijn borstkas vooruit alsof deze werkplek een apenrots was, hij de grootste snikkel had met het sterkste zaad, de meeste wijfjes had en dus de meeste nakomelingen. Vijf denkbeelden over jezelf en allemaal FOUT. Waarom dan die houding van een blaaskaak? Dat vroegen wij ons ook af toen hij als een peuterjuf (met opgestoken wijsvinger) regeltjes kwam inwrijven. De regels had ik bij zijn vorige slachtoffers ook al aangehoord, en als ik graag naar zijn toon had geluisterd keek ik liever naar een Duitse oorlogsfilm dan naar hem. Ik hoefde zijn gezag niet per se te ondergraven, maar toch. Zijn dictaat was me al bekend en uitgerekend mijn bureau was strak met militaire precisie. Demonstratief pakte ik mijn boek en begon erin te lezen, passiviteit is immers ook een vorm van verzet. Ik keek niet op of om van mijn leesgerei en hij moest me nog gelijkgeven ook. Schreeuw gesmoord, mijn bureau was inderdaad in orde. Wel had ik hem zo link als kouwe pis gekregen en daar ging het me stiekem om.

Zijn eerste aanval had ik dus afgeslagen (de keer hierna stuurde hij zijn collega), nog 39 andere haters over. Collega Medinho was zijn volgende doelwit. Joran Bernal vond zijn houding onprofessioneel: hij was te luidruchtig. Los van het feit dat niemand last van hem had was het domweg gelogen, in het gunstigste geval slecht waargenomen. Ik zou niet weten welke van deze twee erger is, maar Jorans redenen om aan de bel te trekken leek gebaseerd te zijn op hoofdstuk 4 uit het boek Argumenteren voor zwakzinnigen. Van Medinho is inmiddels ‘afscheid genomen’ zoals dat in bedekte termen heet. Hoogtwaarschijnlijk zat er iets heel anders achter. Voor

deze tijdelijke functie waren namelijk veel teveel mankrachten aangenomen dus moesten er een aantal weggewerkt worden. Dit was de simpelste manier, en voor deze verdwijntruc hoefde je nou niet bepaald Hans Klok te heten. Voor dit soort klussen was Joran Bernal een echte handige harry. ‘Professioneel’ bezig met zichzelf nuttig te maken voor de zaak. Daarbij  zou het prettig zijn als managers zich realiseerden dat hun ondergeschikten bijna per definitie harder werken dan zijzelf.

Het verhaal van Joran Bernal is een schoolvoorbeeld van een werknemer die dingen uitvoert waar het abstracte begrip ‘bedrijf ’ blij van wordt. Het bedrijf is er tevreden mee, zijn bloedeigen personeel allerminst. De enige mensen binnen een bedrijf die blij met hem zouden zijn is het personeel van een uitvaartcentrum, mits de kist goed dichtgespijkerd is en zijn nabestaanden niet net zo erg zijn. Het ga je goed Joran, sterkte met jezelf.

   

1 November 2009
By on 23:48
Scheringate

Dirk zag het niet meer. ‘We zijn niet failliet gegaan, we zijn kapotgemaakt!’. De wolf op geitenwollensokken toonde zich verbeten, gezeten tegen een rode achtergrond met op de achtergrond de tekst ‘DSB. Goed voor uw geld.’ De slogan was net zo geloofwaardig als Scheringa zelf. Hij had iets slachtofferlijks (en dus iets sympathieks) over zich, hoe jankerig, wilszwak en vol zelfbeklag hij ook was.  Het was afgelopen met de gladjakker achter Leen van Frisia (een naam in de gebiedendewijs van lenen, hoe subtiel!), voor het eerst vertoonde de Verlosser van Alkmaar een vorm van authenticiteit. Zijn levenswerk was kaduuk, zijn museum zou leeggeraust worden en het toekomstbeeld van AZ was een mistbank. Met nostalgie zouden de voetballiefhebbers terugdenken aan het AZ uit het Scheringa-tijdperk. Ja, dank je de koekoek! Voor weemoed heb je traditie nodig en dat miste deze club nou juist. Ajax is adel, AZ is nouveau riche. Generaties zijn groot geworden met een voetbalinstituut dat bij miljoenen liefhebbers wereldwijd tot de verbeelding sprak. Wie Cruyff of Van Basten zegt is schatplichtig aan Ajax, en dat 109 jaar, 29 landskamioenschappen en 6 Europese titels lang. Deze adel verplicht, en wekt daarnaast wrevel. Zo ook bij ome Dirk, grondlegger van de grootste bende kredietverstrikkers en koppelpoliolijders sinds Al Capone. In Alkmaar zien ze dat anders, daar is Dirk een held die na zijn failissement een staande ovatie kreeg voor het jarenlang tillen van bijstandsmoedertjes. Of dat veelzeggend is voor Algemeen Nederlands Peil is moeilijk te zeggen aangezien Bernie Madoff nooit de Yankees heeft opgekocht. Maar goed, terug naar Scheringate. Radar onthulde gevallen van Leen-slachtoffers die klanten vijf overlijdensverzekeringen aansmeerden… Hoe vaak was DSB van plan hen dood te laten gaan? De een zijn bankroet is de ander zijn voetbalclub, maar niet eentje om met nostalgie op terug te kijken. Toch zullen mensen dat gaan doen en in 2023 zullen horden analytici elkaar lopen na te papegaaien over hoe flitsend het spel wel niet was bij vlagen. Even ter herinnering: AZ was een onbeduidend eerste divisieclubje dat in de handen van een multimiljonair omhoogviel. Het jaar 0 N.D. (Na Dirk) was begonnen en plotseling vlogen de meeuwen verschrikt op nu er zowaar meer mensen kwamen kijken dan anderhalve man en een paardenbek. We hebben het over een club die sinds Adriaanse de meest verongelijkte trainer van Nederland heeft, en een selectie die op een uitzondering na te benoemen is als ‘chronisch net niet’. Denk aan legendarische gevechten tegen Sporting, Ajax (2) en de Rotterdamse grootmacht Excelsior – allemaal verloren en het kostte de club de halve finale UEFA Cup, de KNVB Beker, de playoffs en de landstitel van 2006. AZ heeft nooit een harde kern gehad, en geen enkel origineel spreekkoor geproduceerd. Hoewel ‘Dirk bedankt’ vlak na zijn ontmaskering wel vindingrijk was, valt het zeker niet onder het kopje ludiek. De staande ovatie was nota bene op verzoek van de stadionspeaker. Absolute uitsmijters zijn wel de klappers waarmee AZ-supporters zichzelf degraderen tot klapvee als dat blikkerige wanapplaus van de tribunes dendert. Om columnist Menno Pot aan te halen: het is alsof de Jostiband een cover speelt van de Slagerij van Kampen. Maar geklapt werd er in het Dirk Scheringa Stadion, en ineens kreeg de club kapsones. Al was het maar een poenerig miljonairsspeeltje, meer niet. Niet van de grond af opgebouwd door drie jeugdvrienden, maar pats-boem opgekocht en tot duizelingwekkende hoogten omhooggevallen waarvan de landstitel van 2009 het hoogtepunt was. Je vroeg je tijdens de huldiging af hoeveel successupporters de Zaanstreek wel niet herbergde, en of er misschien nu een harde kern op zou staan die ons om de oren zou slaan met een origineel spreekkoor. Niks niemendal. In het jaar 16 N.D. volgens de Zaanstreekse jaartelling viel het gordijn voor de voorsteling van Dirk & de Ja-knikkers. Nou kan ik vijf keer sterven en een DSB-premie uitgekeerd krijgen, om het haast onvermijdelijke verval van AZ zal ik nooit rouwig zijn!

22 October 2009
By on 23:23
B-mensen

Ik ben een B-mens. Dat houdt in dat ik voor veel dingen minder geschikt ben omdat je op bepaalde momenten niet op me kan rekenen. Wat is het geval? De wereld bestaat uit A-mensen en B-mensen, en deze keer is het niet een besnorde gek uit Oostenrijk die dit verzonnen heeft. Het is onvermijdelijk waar dat A-mensen de wereld regeren en B-mensen slaafs te volgen hebben. Klinkt een beetje extreem-rechts, maar we vinden het de gewoonste zaak van de wereld.  We hebben het hier over verschillen in bioritme.

A-mensen worden wakker, zijn het vervolgens ook en na hun eerste kop koffie gaan ze aan het werk totdat ze weer naar huis gaan. Tegen het einde van de avond gaan ze slapen en de volgende dag herhaalt het patroon zich. Tot zover niks aan de hand.

Dan de B-mensen. Uit eigen ervaring: ik waggel richting badkamer zoals ik om 5 uur ’s ochtends over het Leidseplein zwalk op zoek naar mijn fiets. Daarna pis ik in de wasbak, vervolgens stop ik mijn hoofd in de wc om mijn haar te kunnen spoelen als ik doortrek. Het schijnt ook andersom te kunnen, maar weet ik veel. Het is vroeg, man! Daarna ga ik mijn dagelijkse dingen doen, waarbij het opvallend is dat ik vanaf een bakkie pleur of drie pas initiatieven neem. Zeg maar dat ik tot een uur of elf als een hersenloze zombie in een stoel zit of verdwaasd rondloop, net alsof ik ben weggelopen uit de clip van Thriller. Net als ik er een beetje ingekomen ben zie ik iedereen om me heen zijn spullen pakken en naar huis verdwijnen… Vreemd, maar goed ik moet nog boodschappen doen en de winkels gaan zo dicht, laat ik ook maar mijn biezen pakken. Goedgeluimd sluit ik aan in een rij van mensen die bekaf zijn en lopen te kiften op hun koters. Mijn inkakker komt na het eten wel, maar misschien ben ik wel alleen Mathijsmoe in een wereld die doordraait.                                                                   

Laat ik eens vroeg mijn nest induiken dan ben ik morgen fit, zo denk ik bij mezelf. Niet dus. Tien tegen een dat ik wakker lig, me nog een keer om draai en de ribbels in het plafond ga tellen. Langzaam gaan er alleen maar meer lampen in mijn hoofd branden… klik! Met een subtiele druk doe ik het bedlampje aan, ga lezen, maak een to-do-list voor morgen, pak mijn Nintendo DS en speel de sterren van de voetbalhemel of ik schrijf een nieuw blog. Je wilt niet weten hoeveel slapeloosheid er in mijn schrijfsels zitten. Met een pen tussen de lakens ben ik het allerproductiefst.

De meerderheid van de mensheid is een B-mens dat leeft in het ritme van een A-mens. Uit onderzoek is gebleken dat vroeg opstaan slecht is voor je hart en dat op maandagochtend de meeste mensen een hartaanval krijgen. Dat laatste heeft dan weer te maken met het feit dat ze van hun (natuurlijke) B-ritme naar het maatschappelijk aanvaarde A-ritme gaan, iets waar hun rikketik tegen protesteert.                      

Tel uit je voordeel in een B-ritme. De volksgezondheid wordt er niet slechter van, files worden korter omdat het verkeer gespreid wordt, en mensen worden alerter. Dit kunnen zomaar een aantal dingen zijn waar je vrolijk van wordt (behalve dan het mooie weer). Tot die tijd zullen we het bittere regime van de A-categorie moeten slikken.

18 October 2009
By on 14:31
Spuitjes-elf
Er zijn spuitjes-elf die zich hebben laten inspireren door Tim Kretschmer, onze olijke oosterbuur die recentelijk zijn school afknalde. Reden: hij was afgewezen door een meisje. Dit gedrag kun je na-apen en voor opperaap homo sapiens is het een koud kunstje. In de VS kozen de kiezers met volle verstand (?) tot vier keer toe een Bush in de afgelopen 25 jaar. Erg veel bijzonders is het dus niet dat een halve zool een magazijn leegschiet op zijn oude school. Imiteren is dan ook niks voor zieke geesten en kan juist heel effectief zijn. Laatst zat ik in de trein naar Leiden. Naast me zat een stijlvol geklede blondine ‘Komt een vrouw bij de dokter’ van Kluun te lezen. Een in pak gestoken dertiger stapte op haar af, ging voor haar zitten, leunde een tikkie voorover, keek haar doordringend aan en zei gedecideerd ‘Mijn vrouw heeft ook kanker.’ Hierop keek ze hem gewillig aan en hand in hand verlieten ze de coupé.
Dit kan er dus van komen als je bepaalde voorbeelden navolgt. Afgelopen week heb ik me daarom koortsachtig afgevraagd wat er van mij terecht moet komen aan de hand van mensen die ik bewonder. Ik luister bijvoorbeeld graag naar Marvin Gaye, maar wee mijn gebeente als mijn vader daar achter komt. Op mijn beurt vertel ik mijn vriendin maar niet dat Edgar Davids mijn idool was in mijn tienerjaren. Dat ik Salvador Dalí hoog heb zitten weet ze, maar stiekem wordt ze graag begluurd mits het door mij is. Wel hebben we afgesproken dat ik me in zal houden in horecagelegenheden en openbare toiletten. Dat laatste geldt dan ook weer voor mijn homomaatje wiens idool George Michael is (ik wil zelf wel rustig kunnen pissen natuurlijk). Verder heb ik de vervelende neiging om hoofdrolspelers van films na te doen. Dit werd me althans verteld nadat ik niet was uitgenodigd om bij vrienden Der Untergang te komen kijken. Tot slot ben ik nog steeds liefhebber van Michael Jackson en Jan Smit, hoewel niets erop wijst dat Yolanthe mij zag staan toen ze 13 was. Misschien toch maar even mijn school bellen.
24 March 2009
By on 10:00
het Hennievak
Deze zondagmiddag loopt alles net even anders. Mijn vaste maat met wie ik een seizoenkaart heb zit in Parijs, dus heb ik als logische vervanger mijn vader opgetrommeld. Een kleine complicatie hierbij is dat mijn vader slecht ter been is. Een wandeling van 5 minuten is voor hem vergelijkbaar met een survivalweekendje in de Ardennen. Nou valt hierop te anticiperen door op tijd te vertrekken, maar als je vriendin en jij de autosleutels niet kunnen vinden wordt dat lastig. Vijf minuten voor het in voetbaltradities heilige tijdstip van half drie vragen we heel even aan een motormuis hoe we het dichtst bij de ingang kunnen komen.
Onze geüniformeerde macho (zonder snor, dus in zijn ogen helemaal 2009) reageert als bedorven zure zult: ‘Vind je dit niet dichtbij genoeg dan?’ Ik leg hem uit dat mijn vader erg moeizaam loopt. Als hij zijn ogen had geopend had hij dat ook kunnen zien, maar je loopt nu eenmaal niet in een politieuniform omdat je een onontdekte Da Vinci bent natuurlijk. Net als we langslopen wordt de afgezette weg weer opengesteld voor automobielen. Helaas, mami Evaatje is er al vandoor en kan ons geen slinger meer geven. Mijn vader redt het na 500 meter strompelen en semi-struikelen niet meer en dus geef ik hem noodgedwongen een arm. In het masculiene stadioncultuurtje zijn twee gearmd lopende heren echter geen alledaags verschijnsel, met als gevolg dat we mikpunt van spot zijn van enkele provincialen, van die types die overigens even later wel ‘boeren’ roepen naar de supporters van De Graafschap. Tien minuten wedstrijd gemist. Geen nood, Ajax begint al jaren niet meer scherp aan een wedstrijd. Daar moet ik bij zeggen dat we zeker vijf van die tien minuten missen omdat de beste man niet zonder hulp de seizoenkaart van mijn vriend door de scanner kan halen en zodoende bijgestaan wordt door een steward die zich zichtbaar ongemakkelijk voelt bij de situatie. Gezien mijn vaders rusteloze motoriek valt het me al mee dat hij niet gefouilleerd wordt op verdenking van dronkenschap. ‘Volgens mij kon je het stadion niet vinden,’ aldus onze huisbetweter op rij 8 van vak 114. Goede timing ouwe, behalve de meest wijze neus ben je zeker ook de leukste thuis! Ik stel hem gerust: ‘Ik kon je nog wel ruiken, hoor.’
Vervelender dan deze droeftoeter in mineur vind ik het om te ontdekken dat mijn ouweheer moeite heeft met klappen, iets wat ik nog niet eerder aan hem gemerkt had. Lichtpuntje daarbij is dat de wedstrijd niet opwindend is en dus weinig applausmomenten kent. De verveling slaat toe in een nachtkaars van een wedstrijd.
Tijdens een van mijn dromerige momenten die daaruit voortkomt staar ik naar het gehandicaptenvak voor me, tussen het doel en de 1e ring. Een publiek dat voor een deel bewapend is met scootmobieltjes, naast aspirant-deelnemers van Down met Johnny of Knoop in je Zakdoek en hun begeleiders. Het Hennievak noemen we het spottend, hoewel ik een grijns niet kan onderdrukken als ik me zo’n onbedorven waterhoofd voor de geest haal die laatst bij een 0-2 achterstand voor Ajax de wave inzette. De hele 1e ring Noord deed mee. Ik zie gewoon voor me hoe de betreffende ‘mongool’ tegen me gezegd zou kunnen hebben: ‘Wat kijk je nou? De enige die hier Down is ben jij!’ Hij heeft gelijk: de grootste geestelijk gehandicapten zaten vandaag op een motor, maakten grappen over zichzelf maar projecteerden dat op boeren en nichten of ze hingen misplaatst de geestige paljas uit. Waarom zie ik mijn vader ook alweer als beperkt?

By on 10:00
Weeceegeltjes

Beste lezer, deze blog wordt een biecht en wel over mijn ‘tv-debuut’ als 15-jarige. Biecht is misschien overdreven, en tv-debuut is dat zeker.
Mijn grootouders van moederskant hadden het een halve eeuw met elkaar uitgezongen, en om het heuglijke feit luister bij te zetten gingen we onder meer met de hele familie uit eten bij een grote Van der Valk nabij hun thuishaven Hilversum. Het voorgerecht was nog niet gearriveerd of mijn moeder kwam op me af lopen met een kwartje voor de wc. ‘Ik hoef nog lang niet, wat heb jij?’ reageerde ik verbaasd. ‘Dat komt nog wel, en trouwens die wc is leuk, echt enig!’, waarmee ze zich alleen maar meer verdacht maakte. Toneelspelen was al niet haar sterkste kant. Juist die avond had ik mijn verdedigingsmuren tegen practical jokes op de omlaag-stand staan, daar kwam bij dat mijn neven en ik ons aan het bezatten waren als voorschot op een doorbraak als rock ‘n’ roll-act.
Zodoende belandde ik niet veel later op het toilet, op zoek naar bijvoorbeeld gouden deurklinken of platina condoomautomaten. Niet dus, die hadden de Van der Valkjes wel voor hun vakantiehuisje bewaard. Zoekend, loerend en speurend naar rariteiten trad ik binnen. Geen ene niksnoppes… Het had me ook te denken kunnen geven. Eerst maar even pissen, daar was ik hier voor.
Toen kwam ik terug en door het schokje, gecombineerd met mijn argeloosheid, drong het niet tot me door dat dit precies was waar mijn moeder me in wilde luizen.
‘Wat zal het geweest zijn, meneer, een grote of een kleine boodschap?’ Wat een vraag, en bovendien: wat een assertiviteit voor een provinciaal!
‘Een kleine,’ bracht ik wat onbeholpen uit.
‘Ah, da’s eerlijk. Kijk eens, een zegel! Een grote was twee geweest. Veertig volle spaarkaarten en u heeft een badlaken te pakken. Alstublieft, tot ziens!’
Verbouwereerd rolde ik heel even met mijn ogen van verbazing. Een klein rekensommetje leerde mij dat ik nog 1999 zegels verwijderd was van dat stuk textiel, dus op zijn vroegst 999 poepdroppingen en een plasje verder zou ik die in ontvangst mogen nemen. De moed zonk me in de schoenen dat ik er spontaan diarree van kreeg. Des te eerder had ik een badlaken, troostte ik mezelf.
De spaarkaart bleek een grap van het destijds welbekende programma Boobytrap, eigenlijk was toiletbezoek gratis geweest. Zodoende werd ik uitgenodigd om naar de studio te komen. Uiteraard nam ik mijn neef en mijn vader mee. De overige twee plaatsen waren voor opa en oma, hoewel laatstgenoemde een gevoel voor humor bezat dat even groot is als mijn baarmoeder.
Voor het programma werden we begeleid en vermaakt door een soort reisleider die het publiek begeleidde op deze studiosafari. Denk hierbij aan huishoudelijke mededelingen, het van tevoren opnemen van het applaus en natuurlijk vraag- en antwoordspelletjes met het publiek.
‘Wat vinden jullie van het nieuwe decor, mensen?’
‘Mooooiiii!!!’ vulde het klapvee gedwee aan, op een dwars pubertje na die eerder een gelijkenis zag tussen het podium en een jongenskamer van een Star Trek-fanaat. Dat ettertje was ik, waarmee ik meteen de aandacht op me vestigde.
‘Ik hoor hier wat anders. Wat brengt jou hier vanavond?’ vroeg hij me.
‘Ik ben een van de slachtoffers.’
‘Nou, daar zie je wel naar uit!’
Sindsdien heb ik het niet zo op pseudopresentatoren die aan het begin even een geintje uithalen met iemand in het publiek, al helemaal niet omdat ik als schoolgaand kindje twee keer naar de Miniplaybackshow ben geweest en de grappen me wat al te bekend voorkwamen.
Na lang wachten was het dan zover, presentator Gijs Staverman zou het geheel aan elkaar gaan zwatelen. Als radio-dj kan ik hem tegenwoordig waarderen, toentertijd was hij vooral actief op tv-gebied en vond ik het net zo’n slappe ouwehoer als Hans Kraaij junior. Toen we bij mijn filmpje aangekomen waren vroeg hij me (zo heerlijk geforceerd :-d ): ‘Zo, jij hebt nogal ervaring met naar de wc gaan!’
Ja, jij niet dan? Helaas: dat zei ik niet, dat dacht ik alleen maar. Ik kende de inhoud van het programma niet en beneden op het podium stond een bad met pek en veren klaar. Blijkbaar was ons nou juist daarom geadviseerd om oude kleren aan te trekken. Ik was alleen net jarig geweest en was verblijd met een thuistenue van de Chicago Bulls, trots prijkte de naam Rodman met rugnummer 91 op mijn rug. Mijn neef was even basketbalmaf als ik en zodoende moest en zou ik mijn juweeltje aantrekken, adviezen waren er tenslotte om genegeerd te worden.
Het was een flauw filmpje waarin ik gewoon verbaasd keek zoals ik dat eigenlijk altijd doe. Ga maar eens niksvermoedend een pipi machen, kom terug en stel je voor dat er een (uiteraard) geblondeerde toiletdame met een zachte g zit die jou eens even gaat vragen wat je hebt uitgespookt. Dan bestaat er een mogelijkheid dat je met je bakkes vol tanden komt te staan.
De volgende ochtend rond een uurtje of 6 fietste ik richting Telegraaf-kantoor om daar mijn ochtendvodjes op te halen toen ik enthousiast op mijn schouder werd geslagen door mijn toenmalige collega S., die alles gezien bleek te hebben. ‘Booooobytraaaap!’ Wat ik net zei over het gevoel voor humor van mijn oma zou je op zich ook op de smaak van S. kunnen betrekken: mondjesmaat. In mijn chronisch gebrek aan argwaan bedacht ik me dat S. niet representatief hoefde te zijn voor de gemiddelde leerling van mijn school, en dat ik de eerste schooldag na de uitzending (die ik zelf niet eens gezien had) wel zou overleven. Misvattinkje. Tot het einde van het schooljaar stonden mensen me bij de wc op te wachten om te kunnen zeggen: ‘Zegeltje d’rbij?’


By on 09:57
Duistere Dates

Hai Pieter,
Zag je profiel op hyves en vroeg me meteen het volgende af.
We zijn momenteel bezig met een nieuw programma voor Talpa Producties; Daten in het Donker.
Het programma gaat vanaf 30 maart lopen op RTL 5 en wordt gepresenteerd door Renate Verbaan.
Nu zijn wij op zoek naar leuke en vlotte kandidaten die hieraan willen meewerken.
3 mannen en 3 vrouwen gaan voor drie nachten in een luxe villa in het Gooi verblijven.
Zij ontmoeten elkaar alleen in een donkere ruimte.
Laat even weten of dit je iets lijkt.
Hoor het graag,
Groetjes Anne

Met bovenstaand berichtje werd mijn inbox afgelopen week opgeschrikt. Dat zijn al drie dingen waar ik een hekel aan heb in een berichtje, namelijk uitgekauwde tv-programma’s, tv-programma’s die mij als kandidaat willen en datingprogramma’s. De dwangmatige brigade die me dit verzoek stuurde bleek Talpa (wan)Producties te heten, dus al te ver zat ik er niet naast. Het gekke is dat ik de vaak terugkerende de tic heb om me toch nog op stang te laten jagen, zo van: waar zie je me voor aan? Even rustig aandoen maar, sinds wanneer regeert Talpa Producties de wereld?
Even goede vrienden, ik heb het gewoon niet zo op datingprogramma’s. Er zijn dus mensen die daar weleens aan mee (zouden willen) doen. Nou probeer ik daar geen waardeoordeel over te vellen (doe ik lekker toch: je bent een loser! ;-) ), maar ik snap de motivatie niet van de deelnemers. Meestal zijn het mensen die een ietsie-pietsie onzeker zijn of gewoonweg slaapverwekkend, ‘mijn naam is Gaaaaap-brielle, ik ben 34 jaar, kom uit Hoogendijk-Klunerduijn in het pittoreske doch swingende Drenthe en ik verzamel postzegels,’ da’s al gauw een factortje vijf keer narcose dacht ik zo. Een groot nadeel is daarbij dat de camera de meest genadeloze observator is die elk facet van je onzekerheid haarfijn in beeld brengt. Elk zweetdruppeltje dat je voorhoofd doet glanzen, elke slecht getimede grap of geforceerde lach die een aanfluiting is voor je gevoel voor humor (en je tandarts), wordt met satanische precisie geregistreerd. Big Brother is een autist met een olifantengeheugen. Voeg er een hijgerige quizmaster van het type Carlo Boszhardt aan toe die op je zenuwen werkt en je gezicht spuwt vanzelf rode tongen, al was het misschien de plaatsvervangende schaamte voor een hyperventilerende neuroot die zijn leven lang te lijden heeft gehad van een chronisch aandachtsgebrek.
Nou hadden de ‘creatievelingen’ ook wel bedacht dat het gemiddelde concept van een dergelijk programma wel heel doorzichtig is en bovendien in herhaling valt als Vrienden voor het Leven. En warempel, toen zag de denktank het licht – en schakelde het uit in het programma. Zodoende ontmoeten de kandidaten elkaar in het donker en kan ik de hoop blijven koesteren om mijn droomvrouw ‘beter te leren kennen om wie weet een relatie op te bouwen. Wie durft het aan?’ (zomaar een gemiddelde greep uit een doorsnee contactadvertentie). Ik val wel op donker, zou dat ook tellen?
Los van het feit dat ik eigenlijk niet toe wil geven dat ik hier langer dan tien hele seconden aandacht aan heb gegeven durf ik het niet aan omdat ik de clou al voorzie. Wanneer de lichten aangaan (hopelijk een spaarlamp) en enkele nanometers mijn pupilletjes prikkelen, staat Zij, de Droomvrouw waarschijnlijk daar in vol ornaat: rood haar, scheel, haakneus, acné en een mislukte operatie bij Extreme Makeover achter de rug. Blind-date slaat kennelijk op het inzicht van deelnemers en programmamakers.

PS Anne, ga eens op zoek naar een echte baan!


By on 09:26